Mijn liefste Teun – Een terugblik
- Irma van Bommel

- 5 uur geleden
- 4 minuten om te lezen

Op 15 augustus 2025 opende bij Pennings Foundation de tentoonstelling Mijn liefste Teun van fotograaf Tahné Kleijn, gebaseerd op het verhaal van haar oma die in de Tweede Wereldoorlog in een ‘Jappenkamp’ gevangen zat.
De datum voor de opening was bewust gekozen: 80 jaar geleden was 15 augustus de dag waarop Japan capituleerde en er een einde kwam aan de gevangenschap in de Japanse kampen in voormalig Nederlands-Indië. Een dag van herdenking.
Een familiegeschiedenis
In Mijn liefste Teun vertelt Tahné Kleijn het verhaal van haar oma Pieta, die tijdens de Tweede Wereldoorlog met haar zoontje gevangen zat in Tjideng, een Japans interneringskamp voor vrouwen en kinderen in het toenmalige Batavia (nu Jakarta). Haar opa Teun, matroos bij de Koninklijke Pakketvaartmaatschappij, maakte op zee eveneens traumatische gebeurtenissen mee. Maar zoals bij zoveel families uit deze periode, werd er na de oorlog nauwelijks gesproken over wat hen was aangedaan. Nederland keek vooral naar de eigen oorlogservaringen onder de Duitse bezetting; de verhalen uit Indië kregen weinig ruimte.

Pas de tweede en vooral de derde generatie Nederlands-Indiërs zijn actief op zoek gegaan naar antwoorden. Ze reizen naar Indonesië, lezen of schrijven boeken, maken films, starten kunstprojecten.
Het verboden dagboek
Wat deze tentoonstelling uitzonderlijk maakt, is dat het is gebaseerd op het dagboek dat Pieta in het kamp bijhield. Op piepkleine briefjes, verstopt achter fotolijstjes, in de hutkoffer, in gebruiksvoorwerpen. Dagboeken waren verboden; ontdekking betekende de doodstraf. Na de oorlog schreef Pieta haar notities over in schriften die nu in familiebezit zijn. Het is een zeldzaam document dat een inkijkje geeft van het leven in de kampen: de ontberingen, de angst, maar ook de dagelijkse zorg voor haar kind.
Naast het dagboek hield Pieta een babyboek bij, verzamelde ze recepten voor een kookboek – zelfs terwijl er nauwelijks eten was – en maakte ze een houten puzzel voor haar zoontje. Deze tastbare sporen vormden de inspiratie voor Kleijns fotografische reconstructies.

Studio sets
Tahné Kleijn bouwde in haar studio verschillende sets die verwijzen naar de huizen waar Pieta in het kamp met haar zoontje woonde. Met modellen – waaronder zijzelf en haar eigen zoontje – maakte ze geënsceneerde beelden die de sfeer, spanning en kwetsbaarheid van die periode oproepen.

De tentoonstelling werd aangevuld met de bekende serie Traces of War (2003) van fotograaf Jan Banning, waarin mannen zijn geportretteerd die destijds als dwangarbeider aan de spoorlijnen van Birma en Sumatra hebben gewerkt. Ook zijn vader en grootvader behoorden tot hen.
Randprogramma: context, gesprek en reflectie
We denken nu anders over de koloniale tijd, mede door het boek Revolusi van David Van Reybrouck, dat voor het eerst op grote schaal deze geschiedenis openlegde.
Daarom organiseerden we een uitgebreid randprogramma, met aandacht voor Indische (en Molukse) Nederlanders in onze samenleving. Voor een discussiemiddag - We tell stories. What’s yours? - werkten we samen met de in Eindhoven wonende dichter met Indische roots, Carola Eijsenring. Op ons verzoek werd in het Natlab ‘Indië Verloren… Selling a colonial war’ van regisseur In-Soo Radstake opnieuw vertoond, een film over hoe de Nederlandse regering na de bevrijding tegen alle verwachtingen in vasthield aan de kolonie. En we toonden in eigen huis de film ‘Prop ut Merrop’ van dré didderiëns over soldaten, o.a. zijn vader, die na de Tweede Wereldoorlog dachten Nederlands-Indië op te bouwen maar belandden in een onafhankelijkheidstrijd van Indonesiërs.

Wat we leerden van onze bezoekers
Tijdens de tentoonstelling ontvingen we veel bezoekers met Indische roots – vooral van de tweede en derde generatie, maar ook enkele uit de eerste. Ook nazaten van oud-Indiëgangers kwamen langs. Wat bleek? Hoe weinig we eigenlijk weten over de koloniale geschiedenis van Nederlands-Indië, over het leed in de kampen, over de politionele acties en de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië.
Veel kinderen en kleinkinderen weten nauwelijks wat hun ouders of grootouders hebben meegemaakt. Er werd niet over gesproken. Het trauma was voelbaar, maar bleef vaak onuitgesproken. De ontvangst in Nederland was vaak kil; ouders richtten hun hoop op hun kinderen, met een sterke nadruk op opleiding en vooruitgang.
Waarom deze tentoonstelling belangrijk was
Mijn liefste Teun bracht niet alleen een familiegeschiedenis aan het licht, maar ook een gedeeld verleden dat lange tijd onderbelicht bleef. Het liet zien hoe kunst kan helpen om stilte te doorbreken, om ruimte te maken voor verhalen die generaties lang zijn weggestopt.
Zie ook blog Een staat in wording en blog Sporen van oorlog.

Tijdens de DDW in oktober trokken we veel bezoekers met Reflecting Diverseness, een installatie over onze multiculturele samenleving in de vorm van een bloemenzee, van de Eindhovense studio mo man tai.

Waar statistieken slechts de opbouw van de Nederlandse bevolking in cijfers laat zien, kan design de schoonheid van onze multiculturele samenleving visualiseren. Bezoekers toonden ook veel belangstelling voor de tentoonstellingen van Tahné Kleijn en Jan Banning en zagen het verband.

Te midden van de tentoonstellingen werd, eveneens in oktober, een Inspiratiedag voor amateurfotografen georganiseerd. Tahné Kleijn was een van de sprekers.
Tahné Kleijn (1990), fotograaf uit Helmond en afgestudeerd aan AKV | St. Joost, staat bekend om haar zorgvuldig geregisseerde beelden, geïnspireerd door de lichtval en composities uit de 17e eeuw. Haar werk is geëngageerd en narratief; ze onderzoekt de ruimte tussen feit en fictie, tussen schoonheid en ongemak. Eerdere series zoals Soo d’Oude Songen, Soo Pypen de Jongen, Mijn Waarde Vincent en #StilLeven tonen haar vermogen om persoonlijke verhalen te verbinden met bredere maatschappelijke thema’s.
Het Eindhovens Dagblad besteedde aandacht aan de tentoonstelling Mijn liefste Teun.

Foto's: Lieke Winters, tenzij anders vermeld.




Opmerkingen